<  NIEUWS
Oud Rotterdamse haventaal
6 maart 2020

Een echt Rotterdammer herken je direct, aan zijn uitspraak en de woorden die hij gebruikt. Wij zetten drie Rotterdammertjes, taal die vroeger in de havens werd gesproken door de bootwerkers, op een rij.

  1. Mopperen
    Geen gezeur, maar een bakkie pleur. Wanneer havenmedewerkers mopperen gaan ze aan de koffie. Stipt om 9 uur ’s morgens. Ongeacht waar ze zijn; aan dek, wal of in de loods. Na een kwartiertje is het mopperen afgelopen en moeten ze weer aan het werk.
  2. Putgast
    Havenmedewerkers die scheepsruimen laden en lossen. Ze verrichten loodzwaar en gevaarlijk werk. Daarom werken putgasten altijd met zijn twee├źn. Er hoeft maar een hijskabel te breken, een net te scheuren of een pallet uit de haak te schieten, en het is gedaan. Doordat hun werk door kranen is overgenomen, zijn ze inmiddels uitgestorven.
  3. Een armen en benen bootje
    Een zeeboot met boomstammen erop. Geen kleine boomstammetjes, maar boomstammen met een diameter van 1,5 meter. Van echt hardhout uit Afrika. Wanneer de staaldraden waar ze mee vast liggen los worden gemaakt, kunnen ze weleens gaan rollen. Er zijn ook wel eens mensen klem komen te zitten, vandaar een armen en beentje bootje.